Me-time mirage
Wanneer maandag me weer te slim af is
Negen maanden op, acht maanden af
Vanaf maandag heb ik eindelijk tijd voor mij. Schrijven zonder iemand op schoot, denken zonder onderbreking, zinnen écht afmaken. Negen maanden op, acht maanden af, geldt kennelijk voor m’n ambitie en creativiteit. Ik miste het wel, om bezig te zijn met iets van mij en van mij alleen. Iets wat ík leuk vind, waar ík energie van krijg en wat ík koester. Maar sinds deze week voel ik ineens haast. Een onstilbare honger naar mijn eigen momenten, om van alles mee te doen of juist helemaal niets. Het is té lang geleden dat ik de dag (of een deel daarvan) ononderbroken doorkwam.
Het einde is in zicht, denk ik. Baby is acht maanden oud en gaat, na een eerste week wennen, nu echt naar de opvang. Mijn allerlaatste baby. Echt, de aller-allerlaatste.
Flexibele grenzen, stugge realiteit
De afgelopen maanden verlopen niet zonder slag of stoot. Echtgenoot zit vaker in het buitenland dan thuis, dus ik hou alles draaiende, met wisselend succes. Ik gooi voortdurend duizend ballen in de lucht, alleen zijn het zelden mijn ballen. Meestal die van de kinderen. Soms die van hem.
‘Je moet écht meer tijd voor jezelf inplannen,’ hoor ik vaak als goedbedoeld advies. En die pogingen waag ik, geloof me. Als ik een sportles, een etentje met een vriendin, of ook maar iets wat naar autonomie ruikt voor mezelf plan, komt er iets urgenter tussendoor. Ik zeg af, verplaats, draai om. Letterlijk. Ik beweeg zoals mijn gezin van me vraagt. Flexibel, loyaal en meestal net iets te ver over mijn eigen grens.
Ambities op pauze
Met dit besef komt de energie opzetten als een plotselinge caffeïne-overdosis: onhandig laat, maar onmiskenbaar aanwezig. Ik neem me daadkrachtig voor om morgen een planning te maken voor alle ideeën die in sluimerstand door mijn hoofd zweven. Alleen dit idee al stelt me gerust. Tot de januarisneeuwstorm binnenvalt als een abrupte mededeling: iedereen heeft ijsvrij, jij succes ermee.
Mijn frustratie blijft netjes binnensmonds, alleen hoorbaar voor mijzelf. Blijkbaar schuiven we mijn maandag door naar de ‘onbepaalde toekomst’, de plek waar ook ongebruikte planners en goede voornemens wonen.
IJspret, koude wangen, warme chocolademelk. Iedereen is (toch wel) gelukkig tot en met zondagavond. Ik ga naar bed met het geruststellende gevoel dat morgen eindelijk van mij is. Mijn dag. Mijn laptop, mijn koffie, mijn concentratie.
Snotfestijn en snurksymfonie
Baby wil niet slapen. Snot, speen en een sterke voorkeur voor buikligging is een funeste combinatie voor een goede nachtrust. Of nachtrust überhaupt. Dus daar zit ik dan: rechtop in bed, mijn allerlaatste baby in mijn armen, omdat dat de enige plek is waar ze vrij kan ademen. Me-time lonkt als een fata morgana in de woestijn: elke stap dichterbij lijkt het alleen maar verder weg te duwen. Laptop blijft dicht en plannen geparkeerd.
Baby kijkt me aan alsof ze zegt: ‘Serieus? Jij dacht écht dat maandag van jou was?’ En ik lach terug. Want een chaoskomedie met snotfontijn, een snurksymfonie en het hoofdpersonage dat een glimlach uitperst tussen de huilbuien door, is toch hilarisch?
Diep vanbinnen weet ik: zij heeft mij nu heel hard nodig. Maar ik haar net zo. Ooit ga ik dit missen, al mis ik nu vooral horizontaal liggen.



